Informatie

Heeft u kweekverslagen en/of aanvullingen op de verzorgingseisen mail naar parkdieren@outlook.com


Dierenartsen:

Dierenkliniek Berg & Bos
Grebbeweg 109
3911AV Rhenen
Tel: 0317-621165
info@dierendoc.nl
Drs. P. Klaver
www.kliniek-klaver4dieren.nl
Dalwagen 29c
Dodewaard
Tel: 0488-410040 / 06-51335956

Kweekverslagen

Onder dit tabblad worden kweekverslagen geplaatst.

Heeft u nog informatie voor dit tabblad mail naar parkdieren@outlook.com

Dieren informatie

Op dit tabblad staan de eisen per diersoort waaraan je zou moeten voldoen om zeker te zijn dat het welzijn van onze dieren geborgd is en deze verantwoord worden gehouden.
De eisen zijn gebaseerd op ervaringen van dierenhouders en reeds in Europa gebruikte (o.a. Duitsland) minimum verzorgingseisen en zijn binnen de vereniging nog in bewerking.
De eisen die we op de site zetten, zijn levende documenten en zullen aan de tijdgeest, wetgeving en houderij inzichten worden aangepast.
Leden van onze vereniging kunnen dan ook voorstellen tot wijziging indienen bij de website beheerder die deze dan aan het bestuur voorlegt.

Heeft u nog informatie voor dit tabblad mail naar parkdieren@outlook.com


Evenhoevigen

Varkens en Pekari's
Kameelachtigen
Dwergherten
Muskusherten
Hertachtigen
Holhoornigen en Gaffelantilopen
Giraffen en Okapis




Haasachtigen (Lagomorpha)

2 families, 12 geslachten, 91 soorten.
Verspreiding wereldwijd, behalve Madagaskar, Antarctica en het zuiden van Zuid Amerika.

Haasachtigen(Lagomorpha)










Klimbuideldieren(Diprotodontia)

11 families, 39 geslachten, 143 soorten.
Normaal gesproken worden slechts vertegenwoordigers uit 7 van de 11 families gehouden;
die zullen hier behandeld worden.

Koala's (Phascolarctidae)
Wombats (Vombatidae)
Koeskoezen (Phalangeridae)
Buideleekhoorns (Petauridae)
Vliegende Buidelmuizen
Kangoeroeratten (Potoroidae)
Kangoeroes (Macropodidae)




Knaagdieren(Rodentia)

33 families, 490 geslachten, 2364 soorten.
Slechts een klein deel van deze soortenrijkste orde van zoogdieren
wordt door mensen gehouden en hier behandeld.

Eekhoorns
Slaapmuizen
Bevers
Muizen - ratten enz.
Springhazen
Kamvingers
Molratten
Stekelvarkens
Boomstekelvarkens
Chinchilla's
Cavia's - Mara's
Capibara
Agoeti's en Pakas
Schijnratten
Beverratten
Hutia's

Onevenhoevigen( Perissodactyla)

De orde van de onevenhoevigen omvat drie families – paarden (Equidae), neushoorns (Rhinocerotidae)
en tapirs (Tapiridae), met 17 soorten.

Paardachtigen
Tapirs









Roofdieren(Carnivora)

15 families, 126 geslachten, 286 soorten.
Het bezighouden van roofdieren door het verrijken van de leefomgeving, bijvoorbeeld door geurprikkels, de manier van voedsel aanbieden en andere maatregelen zijn bijzonder belangrijk.
Dit dient uitdrukkelijk als essentieel onderdeel van de planning beschouwd te worden bij de vormgeving van de dierenverblijven en bij het bestandsbeheer.

Op grond van de beperkte mogelijkheden voor schoonmaken en desinfecteren, zijn de voorgeschreven afmetingen bij extensieve roofdierhouderij en bij het houden van roofdieren op natuurlijke bodem substantieel groter dan voor andere verblijven.

Voorzieningen in buitenverblijven die bescherming bieden voor weersinvloeden, zoals slaapboxen en schuilhutten, die in dit hoofdstuk genoemd worden, moeten aan de grootte van het betreffende dier zijn aangepast.
Dat betekent dat de dieren zich er in moeten kunnen omdraaien, moeten kunnen staan en gemakkelijk kunnen gaan liggen.
Als beschutting tegen wind, vocht en kou moeten slaapboxen en schuilhutten droog, tochtvrij zijn en indien nodig, stro op de bodem hebben.

Kleine katachtigen
Grote katachtigen
Civetkatachtigen, Madagascar civetkatten, Parderollen en Mangoesten
Hyena's
Hondachtigen
Beren
Marterachtigen en stinkdieren
Kleine beren en kleine panda



......












......












......













Azara Agouti
Meer foto's: click hier

De Azara Agouti (Dasyprocta azarae)

De agouti is een knaagdier uit de familie van de cavia-achtigen. Het is een slank dier met een dichte glanzende vacht. De rugharen, waarmee ze in staat zijn om te ‘borstelen’ als er gevaar dreigt, worden naar het rug/dijgedeelte toe wat langer. Ze hebben een lichte onderzijde en de bovenzijde varieert per soort van bleek oranje en verschillende bruintinten tot bijna zwart.
De oortjes zijn klein en ze hebben een heel klein onbehaard staartje.
Ze komen oorspronkelijk voor in de oerwouden van Zuid Amerika, maar ook op de graslanden en zelfs in gecultiveerd gebied. Agouti’s zijn erg territoriaal en over het algemeen is het een dagdier. Ze leven altijd in de buurt van water, hoewel ze niet vaak zwemmen, maar hun eten wassen ze wel graag in het water. In het wild eten ze noten en fruit (de restjes die de apen laten vallen) maar ook bladeren, stengels en wortels van veel verschillende planten. Ze zijn de hele dag bezig met het verzamelen hiervan. Agouti’s zitten vaak rechtop te eten en houden het eten dan vast met hun voorpootjes.
Ze kunnen het hele jaar door jongen krijgen. De worp bestaat meestal uit twee jongen, maar één of drie is ook mogelijk. De jongen worden geboren na een draagtijd van ongeveer 100 dagen en komen volledig ontwikkeld ter wereld. Ondanks dat de jongen zo’n vier maanden gezoogd worden eten ze al heel snel met de ouders mee.
Van de agouti’s bestaan er maar liefst elf soorten, over één van die soorten gaat ons kweekverslag.

In het voorjaar 2017 kwamen wij in het bezit van twee Azara agouti’s. Weliswaar broer en zus, maar we hadden het voornemen om er nog een koppel bij te zoeken en dan de mannen te wisselen zodat we dan twee onverwante koppels hadden.
Die zoektocht naar een tweede (van onze dieren onverwant) koppel viel echter tegen. Maar dankzij Eeg Manders kwamen wij in mei 2018 toch in het bezit van een onverwante man.
Deze man werd gekoppeld aan onze vrouw, wat absoluut geen problemen opleverde.
Agouti’s zijn hele leuke beesten om te houden, ze zijn de hele dag bezig en zeer nieuwsgierig naar wat er in het verblijf naast hun gebeurd. Ook kun je ze gemakkelijk lokken met wat voer en het duurde niet lang voordat we ze zover hadden dat ze de walnoten uit onze hand kwamen pakken. Als er nog voldoende voer is of al ze meerdere noten krijgen proberen ze ze te verstoppen onder een tak of in hun slaapkist.
Bij ons krijgen de agouti’s dagelijks de caviakorrel van Metazoa met een beetje tarwe, diverse soorten groente en fruit en een paar keer per week walnoten.
Van de groente en fruitsoorten lusten ze bijna alles. Ook hebben we altijd verse wilgentakken in hun verblijf liggen.

De Agouti’s hebben bij ons een binnen volière van 3,5 bij 4,5 tot hun beschikking. Ze maken een aantal latrine’s wat het schoonmaken gemakkelijker maakt.
Wij houden ze samen met witwangtoerako’s en we hebben ze ook samen gehad met de driekleurglansspreeuwen, maar als de jonge driekleurglansspreeuwen te vroeg uit het nest vielen dan verdwenen de jonge vogels in de maag van de agouti’s.
Agouti’s staan over het algemeen bekend als wat stressvolle dieren, ze borstelen en grommen inderdaad als ze gepakt moeten worden om te verplaatsen, maar omdat wij ze een aantal keren van verblijf moesten wisselen hebben wij de ervaring opgedaan dat ze binnen een minuut in hun nieuwe verblijf al weer zitten te eten en rustig op onderzoek uitgaan. We zorgen er altijd wel voor dat hun eigen nestkast meegaat.

Op 31 juli vonden we een dekprop in het verblijf van de agouti’s. Dit is een gelei-achtige witte prop van zo’n vijf centimeter lang, die door het mannetje bij het vrouwtje in de vagina wordt ingespoten vlak na de dekking. Dit om te voorkomen dat ze door een ander mannetje gedekt wordt.
We waren er nu dus zeker van dat er een geslaagde dekking had plaatsgevonden.
Op 9 november werden er na een draagtijd van precies 100 dagen twee jongen geboren. Eén van de jongen was echter dood, de ander deed het prima!
Op de eerste dag croste hij het hele verblijf al door en klom al over boomstammetje heen.
De slaapkist was op de eerste dag nog wat te hoog gegrepen, maar het duurde niet lang of ook deze uitkijkpost werd door het jong veroverd.
Ook at hij al heel snel mee van het voedsel wat we de ouders aanboden.
Natuurlijk wilden we ook graag weten wat voor geslacht dit jong had. We hebben echter twee weken gewacht voordat we het jong pakten, om de band met ouders niet te verstoren.
Toen Mies het jong pakte stapte hij gelukkig met het jong meteen het verblijf uit, want het jong zette het op een gillen en de ouders probeerden direct in de aanval over te gaan. De deur ging echter net op tijd voor hun neus dicht.
Het was een man, Mies heeft hem door een kiertje weer naar binnen gesmokkeld, en de rust keerde weer terug.
Hoewel we wel hadden gelezen dat de jongen vier maanden gezoogd worden, konden we dit bijna niet geloven voor een nestvlieder die heel snel groeit. Ons jong is nu vier maanden oud en bijna net zo groot als zijn ouders, maar we zien hem inderdaad nog regelmatig zogen bij zijn moeder!
Het is nog steeds heel leuk om te zien hoe beide ouders met het jong in de weer zijn. Beide ouders delen hun eten met het jong, hoewel we nu wel op het punt komen dat de vader zijn walnoot niet meer afstaat!

Janke en Michel

Kleine Mara
Meer foto's: click hier

Kleine Mara (Dolichotis salanicola)

Mara’s behoren tot de familie van de caviaachtigen, die weer is onderverdeeld in een aantal onderfamilies. Een daarvan is de Dolichotis, en die bestaat weer uit twee soorten, te weten de grote mara (dolihotis patagonum) en de kleine mara (dolichotis salanicola).
De grote mara leeft in zuid Argentinië op de grote open vlakten van de Pampa en de kleine mara komt uit het zuiden van Bolivia, Paraguay en noordelijk Argentinië. Hij bewoont daar de ook ’s winters zeer droge gebieden met doornachtig struikgewas. De kleine mara is dus niet een dwergvorm van de grote mara maar echt een aparte soort.
Wij houden en kweken beide soorten, maar dit kweekverslag gaat over de kleine mara.

Mara’s hebben altijd al onze belangstelling gehad en in de zoektocht naar een koppel grote mara’s, kwamen toch ook regelmatig de kleine mara’s ter sprake. Nadat we ons goed hadden ingelezen en overal ons licht hadden opgestoken over hoe de kleine mara te houden, konden we bij Floor van Hoek twee jonge vrouwtjes overnemen. Gelukkig duurde het niet lang voordat we een jonge man bij de dames konden voegen, zodat we nu een trio kleine mara’s in ons stalletje hadden. De introductie verliep zonder gedoe. Ze accepteerden elkaar meteen.

Bij ons zitten de dwerg mara’s binnen in een volière van 3,5 x 4,5 m. die ze moeten delen met de driekleurglasspreeuwen. De glansspreeuwen zijn in het broedseizoen nogal territoriaal, maar de kleine mara’s laten ze met rust. De spreeuwen badderen brutaal en uitgebreid voor de neus van de mara’s in hun drinkbak.
Bij ons zitten de kleine mara’s dus altijd binnen, dit werd ons aangeraden door meerdere houders en kwekers van deze soort. Ze zijn zeer gevoelig voor vochtige omstandigheden en kunnen onze koude natte winters zeker niet waarderen.
In de volière hebben we een aantal nestblokken staan. De afmetingen hiervan zijn: 45 x 25 x 25 cm. met een ronde opening van 15 cm. Op de bodem van de volière ligt vlasvezel en verspreid door het hok liggen plukken hooi waarin ze kunnen liggen en van knabbelen. Het zijn en blijven toch cavia’s dus poepen ze door het hele hok, helaas maken ze geen latrine zoals de agouties bijvoorbeeld wel doen.
Wij voeren ze een mengsel van 1 deel caviabrok en 1 deel kangoeroebrok van Metazoa, hooi en gras, iets groenvoer (zoals bijvoorbeeld wortel, appel, peer, courgette, broccoli of boerenkool) en wilgentakken. Ook staat er altijd een bak water in het verblijf.

Begin maart van 2019 was het overduidelijk dat één van de twee vrouwtje drachtig was. De eerste keer verwachten we eigenlijk niets van een nest, omdat bij veel diersoorten de eerste worp vaak verloren gaat. Ze weten niet wat ze er mee aan moeten, het oxytocine gehalte is meestal nog niet op peil. Oxytocine is een hormoon wat o.a. de moeder kind binding stimuleert, het ouderdier krijgt hierdoor de o.a. reflexen om het jong schoon te likken en de melkgift komt op gang. Bij een volgende worp is het hormoonstelsel sneller geprikkeld waardoor ook deze reflexen sneller op gang komen.

Op 14 maart was het dan zover. Er waren twee jongen geboren, maar ze lagen koud, nat en ogenschijnlijk levenloos in het verblijf. Eén van de jongen vertoonde toch nog iets van leven, dus werden ze vliegensvlug mee naar binnen genomen om op te wrijven en op te warmen. De couveuse werd meteen aan gezet en ingesteld op 34,8o C. De jongen wogen 172 gram en 150 gram.
Bij één van de jongen kwam de ademhaling goed op gang. Het andere jong heeft nog een paar keer naar adem gehapt, maar die kregen we niet verder op gang.
Toen het zwaarste jong goed ademde en de couveuse op temperatuur was mocht hij daarin verder bijkomen. Dat gaf ons de tijd om eens navraag te doen over wat er bekend was over het grootbrengen met een flesje van de kleine mara.
Via via kwamen we terecht bij een Belg die regelmatig grote mara’s met de fles grootbracht, hij gaf ons een vrij gedetailleerd schema. Ondertussen was het jong zeer levendig geworden. Dus hoe nu verder. Ons grootste bezwaar was om één jong groot te brengen met de fles, die geen sociale imprint zou hebben van een broertje of zusje. Toen bedachten we het volgende plan: we maakten ín het verblijf van de kleine mara’s een kleine afscheiding (1,5 m2) van gaas, met een nestkast, Hierin plaatsten we het moederdier met het jong, dat we hadden ingesmeerd met de nageboorte. We hoopten dat het moederdier in deze kleine ruimte het jong makkelijker zou accepteren, zonder dat er te veel stress was van vangen en overplaatsen naar een ander verblijf. En ook de interactie met de rest van de groep was op deze manier gewoon mogelijk.
Binnen een kwartier zat de moeder met het jong in de nestkast. Nu was het afwachten.

De volgende ochtend was het jong gegroeid van 172 gram naar 179 gram! Ons sociale experiment was voor nu geslaagd, de moeder had melk en liet het jong drinken. ’s Avonds liep het jong samen met de moeder door het verblijfje en had het een gewicht van 180 gram. Na 2 dagen zat hij bovenóp de nestkast. De volgende dagen groeide het jong goed, gemiddeld zo’n 8 % per dag. Het bijzondere van het verzorgingsgedrag van de moeder bij deze nestvlieder was dat het jong regelmatig op zijn zij ging liggen waarna de moeder meteen zijn schaamsteek stimuleerde en de ontlasting en urine weg likte.
Na 10 dagen hebben we ze teruggeplaatst in de groep. Dit ging ook zonder gedoe.
Het tweede vrouwtje jongde op 30 april. 2 jongen liepen keurig drooggelikt en levendig door het verblijf. Met een geboortegewichten van 173 gram en 180 gram was dit dus een goede start. Wat ons opviel was dat deze jongen ook probeerden te drinken bij het andere vrouwtje, die dit niet accepteerde, en zelfs de man werd onderzocht op melkproductie. De ochtend erna waren de jongen iets afgevallen in gewicht. Maar ze leken nog goed levendig.
De dag daarna waren ze nog meer afgevallen en zichtbaar verzwakt. We moesten dus wel ingrijpen. We hebben ze in de couveuse geplaatst en we starten het eerder verkregen voerschema op. Dit bestond uit: 1 maatschepje Protifar (Nutricia) per 50 ml volle melk. Dit kregen ze 3x maal per dag 5cc per keer. De urine en ontlasting productie stimuleerden we met een nat stukje keukenpapier. Ook voor ons gingen de jongen op hun zij liggen. Eén van de jongen begon heel langzaam te stijgen in gewicht, maar de andere zakte steeds verder en overleed na twee dagen. Het gewicht van het overgebleven jong steeg aanvankelijk wel, maar niet voldoende, vonden we. Als eerste gingen we het aantal keren voeden verhogen. 6x daags om de 4 uur, ook de nacht door. Omdat dit ook niet voldoende groei gaf, zijn we Covalecense Support van Royal Canin door de melk gaan mengen. Covalecense Support is een poeder wat je kunt aanlengen met water of melk. Het heeft een hoge energiedichtheid waardoor je maar weinig hoeft te voeren om toch veel energie in het beestje te krijgen. Ook bevat het vitamine E, vitamine C, taurine en luteïne wat het natuurlijk afweersysteem ondersteunt. Nu kwam de groei erin. Vanaf dag 7 zaten we op een gemiddelde van 8% groei per dag.
Het ging eigenlijk zo goed dat we het na 11 dagen aandurfden om het jong in de groep terug te plaatsen voor een paar uur, hadden we bedacht, om interactie met zijn soortgenoten te verkrijgen.
Het jong werd meteen door de moeder geaccepteerd. Ze begon direct met het verzorgen en likte de urine en ontlasting op. Het jong mocht ook gelijk drinken. Dat dit na 11 dagen geen zoden aan de dijk zou zetten konden we zelf ook wel bedenken, dus we besloten het jong in de groep te laten en daar 5x per dag bij te voeren. De nachtvoeding kwam te vervallen. Hoewel het jong de eerste 11 dagen behoorlijk op ons gericht was, was daar al direct geen sprake meer van toen hij in de groep zat. We moesten hem echt vangen om hem te pakken te krijgen voor zijn voeding.
Het aantal voedingen werd langzaam afgebouwd omdat hij zelf van het groenvoer ging bijeten en de groei gewoon doorzette. Op dag 25 zagen we hem brokken eten en op dag 30 zijn we gestopt met het geven van melk. Wel controleerden we regelmatig zijn gewicht om goed in de gaten te houden of hij goed groeide.

De daaropvolgende nestjes van steeds twee jongen gaven geen bijzonderheden, behalve bij het laatste nest dat bestond uit één jong. Toen zakte het gewicht van het jong na een dag onder het geboortegewicht en hebben we meteen ingegrepen. Dat jong hebben we wel in de groep gelaten. Bijvoeden bleek maar een dag nodig omdat de moeder toen blijkbaar ook weer melk had. We wegen de jongen altijd voor en na de voeding om precies te weten wat we er in stoppen. Aan het eind van de dag woog het jong opeens meer dan vlak na de voeding die wij een paar uur ervoor gegeven hadden.
De dag erna was er nog steeds een stijgende lijn in de groei, dus het flesje, wat eigenlijk een 10 cc spuitje is, konden we gelukkig weer opbergen.


Janke en Michel



Stekelvarkens (Hystrix indica)

Algemeen
De naam stekelvarken is eigenlijk een zeer foute naam. In de systematiek hebben varkens en stekelvarkens namelijk weinig met elkaar gemeen, ja ze behoren allebei tot de klasse van de zoogdieren maar daarna houd ook alles op. Varkens horen namelijk bij de orde van de hoefdieren en stekelvarkens bij de orde van de knaagdieren. Het opvallendste aan stekelvarkens zijn natuurlijk de tot 40 centimeter lange zwart witte stekels die opgezet worden bij gevaar of opwinding. Daarbij is vaak een ratelend geluid te horen dat voortkomt uit de holle staart pennen.


Huisvesting
Dit soort stekelvarkens zijn geen klimmers en daarom vrij gemakkelijk in een open verblijf te houden. Wel moet er altijd om gedacht worden dat het extreme knagers zijn, dus materialen als steen, glas en ijzer zijn bij de bouw van een stekelvarken verblijf zeker aan te raden. Bij ons zitten de stekelvarkens in een open verblijf van ongeveer 20 vierkante meter. Het is gemaakt van beton elementen en is 90 centimeter hoog. De bodem is 25 centimeter uit gegraven, bedekt met tegels en volgestort met 20 centimeter grof rivierzand. In het verblijf liggen een aantal boomstammen die als knaag materiaal dienen. Deze worden daarom ook regelmatig aan gevuld. Verder beschikken ze over een nachthok dat is gemaakt van sandwich panelen.


Voeding
Stekelvarkens zijn dieren die allerlei soorten plantaardige kost eten en absoluut niet kieskeurig zijn. Zelfs citroenen, grapefruits, prei en uien worden naar binnen gewerkt. Bij ons krijgen ze verschillende soorten groente en fruit zoals: appels, peren, wortelen, aardappelen, spruiten, witte kool, knolvenkel, sla, andijvie, maïs (de hele plant), rode bieten, suiker bieten, enz. Meestal een aantal verschillende soorten per dag. Daarnaast krijgen ze elke dag wat tarwe, knaagdierbrokken, hondenbrokken en zo nu en dan wat wilgen takken of fruitbomen takken. Zomers voeren we ook veel gras, paardenbloemen en blad, weegbree en zuring. Ook staat er altijd een bak met vers drinkwater ter beschikking.


Kweek
Halverwege de jaren negentig kwam bij ons het eerste stekelvarken. Dit was een losse volwassen man die we een aantal jaren hebben gehad. Daarna volgde een jong koppel die nu nog steeds in ons bezit is. Pas het vierde levensjaar begon dit koppel te kweken. Stekelvarkens hebben een vrij lange draagtijd van ongeveer 112 dagen. De jongen worden dan wel volledig ontwikkeld geboren, compleet met stekels. Deze zijn de eerste tijd nog wel zacht. De jongen liepen direct door het buitenverblijf, maar omdat het mij beter leek dat de jongen (de eerste keer drie stuks) in het nachthok bleven, heb ik de drempel met vijftien centimeter verhoogd. Hier bleven de jongen de eerste tijd goed achter. Eén van de drie jongen overleed binnen een week, maar de anderen deden het prima. Stekelvarkens groeien vrij langzaam en zijn na een jaar nog niet helemaal uitgegroeid. Bij ons jongen de stekelvarkens niet elk jaar, maar eens in de twee jaar. Dit zou misschien kunnen komen, omdat we de jongen er meer dan een jaar bij laten lopen. Het blijft tenslotte een prachtig gezicht waar we slecht afscheid van kunnen nemen.

Michel Numan


N.B.
Het bovenstaand kweekverslag is een heel aantal jaren terug geschreven.
Stekelvarkens hebben we nog steeds in ons bezit en we zijn nog altijd gefascineerd van deze bijzondere dieren. Tegenwoordig hebben we elk jaar wel een nestje jongen en een enkele keer twee keer per jaar. Ook hebben we de groep wat groter laten groeien naar in totaal 6 dieren. Jonge vrouwtjes kunnen er in onze groep gewoon bijblijven maar jonge mannen moeten er binnen een jaar uit omdat de volwassen kweekman ze anders met stekel en tand probeert te verjagen met alle gevolgen van dien.





Stokstaartjes (Suricata suricatta)

Geschiedenis.
Begin jaren negentig kwam ik voor het eerst in het bezit van een volwassen koppeltje stokstaartjes. Deze diersoort kwam je toentertijd weinig tegen in particulier bezit. De vorige eigenaar had al een aantal jaren drie koppels zitten, maar kweekresultaten waren er niet te melden. Hier lag dus een nieuwe uitdaging voor mij open. Omdat deze kleine roofdiertjes uit de familie van de civetkatachtige (Viverridae) al jaren mijn interesse wekte, had ik er veel over gelezen en ervaringen in dierentuinen aan gehoord.
Allereerst veranderde ik het voerschema, want alleen de kuikens en meelwormen die ze gewent waren leek mij niet echt een goed dieet voor stokstaartjes. Ik experimenteerde wat met verschillende merken kattenbrokken, verschillende soorten fruit en vlees. Ik plaatste meerdere nestkasten (papegaaien broedblokken in liggende positie) en na veel geduld en geluk werd er na acht maanden het eerste nestje met drie jongen geboren. Hierna volgden met grote regelmaat nestjes stokstaarten tot in 1997 mijn inmiddels op leeftijd zijnde fokstel overleed. Stokstaartjes worden zo’n tien á twaalf jaar, maar omdat ik mijn stel als volwassen dieren had gekocht kan je natuurlijk nooit exact de leeftijd bepalen. Ik bleef stokstaartloos, totdat ik eind 2006 iemand tegenkwam die net een jong koppel had samengesteld. Hiermee maakte ik de afspraak dat als hij er ooit mee zou kweken en de jongen wegdeed hij mij als eerste zou bellen.
In september 2007 werd ik gebeld en kon ik twee jonge vrouwtjes overnemen. Het geluk was met me, want diezelfde dag hoorde ik dat er bij een Nederlandse handelaar nog een losse man zat. Natuurlijk gelijk gebeld en de week erna ook dit dier opgehaald.

Huisvesting.
De stokstaartjes hebben bij mij de beschikking over een geïsoleerd binnen verblijf. Hierin staan twee nestkasten van 50x30x25 centimeter met een ronde opening van 11 centimeter doorsnede. Ook hangt er een warmte lamp in van 75 watt die overdag zo’n twaalf uur brandt. De dieren maken hier dankbaar gebruik van door zich regelmatig onder de lamp op te warmen. Als het ’s winters vriest, laat ik hem ‘s nachts ook aan. Maar als het zomers warm is blijft hij overdag uit en brandt hij alleen in de vooravond nog een paar uur. Overdag zitten de dieren meestal buiten en doen zich tegoed aan de warme zonnestralen. Het buiten verblijf bereiken de dieren via een kattenluikje, ze kunnen dus altijd zelf bepalen wanneer ze naar buiten willen. Het buiten verblijf heeft een oppervlakte van zo’n tien vierkante meter. Het is opgebouwd uit glazen- en stenen wanden van één meter twintig hoog en de bovenkant is geheel open. De bodem is zo’n dertig centimeter uitgegraven en voorzien van een laag stoeptegels met daaroverheen weer een laag van zo’n twintig centimeter zeer grof rivierzand. Het voordeel van grof zand is dat het zeer goed water doorlatend is, dus het regenwater zakt er direct doorheen. Het verblijf is ingericht met wat grote natuurstenen, een aantal grote stenen potten en wat boom stronken. Ook staat er een oude stenen vuurpot in die met zijn hoogte van zeventig centimeter als uitkijkpost fungeert. Binnen de groep stokstaartjes staat er wisselend één dier op de uitkijk, het liefst op een hoog punt (in de natuur zijn dit vaak termietenheuvels). Bij een dreigend gevaar (vaak een roofvogel die ze al als klein stipje in de lucht ontdekken) volgt een alarm kreet en vlucht de hele groep in de nestkasten. Als het gevaar geweken is komen ze langzaam weer naar buiten.

Voeding.
De stokstaartjes worden één keer per dag gevoerd. Het voedsel bestaat bij mij uit kattenbrokken, ééndagskuikens of ander vlees, verschillende soorten fruit en soms een paar kwarteleitjes. Regelmatig leg ik een vermolmde boomstam in het buitenverblijf die ze dan zelf uit elkaar peuteren op zoek naar insecten. Ze zijn hier vaak dagen mee bezig dus is het gelijk een goede vorm van gedragsverrijking. Drinkwater hebben ze altijd ter beschikking uit een drinkfles met kogelnippel.

Kweek.
Ongeveer half mei 2008 leek het wel of één van de twee vrouwtjes iets dikker was als de ander. De week erna was het verschil duidelijker geworden en wist ik zeker dat dit vrouwtje drachtig was. De weken erna werd ze steeds ronder en op elf juni hoorde ik zachte piepgeluidjes uit de nestkast dus waren er jongen geboren. (de draagtijd bedraagt overigens elf weken) Ik heb de boel zoveel mogelijk met rust gelaten tot 21 juni. Omdat we toen op vakantie gingen en ik toch wel heel nieuwsgierig was heb ik even in de nestkast gekeken en zag ik vier goeddoorvoede jongen liggen. De drie ouderdieren slapen overigens in dezelfde nestkast als waar de jongen liggen. Toen ik na negen dagen vakantie terugkwam liepen de jongen al door het buitenverblijf. Onze oppas had alles dus perfect verzorgd. ’s Avonds werden de jongen door de ouderdieren in de bek genomen en één voor één in de nestkast gebracht. ’s Morgens herhaalde dit ritueel zich, maar dan in omgekeerde volgorde en werden ze één voor één weer naar het buitenverblijf gebracht. Alle drie de ouderdieren zorgen gezamenlijk voor de jongen.
Toen de vier jongen (twee mannen en twee vrouwen) acht weken oud waren aten ze al goed zelf, maar ze dronken toch nog regelmatig bij de moeder.
In die periode werd ook het tweede vrouwtje drachtig wat zeer opmerkelijk is, omdat altijd wordt beweerd dat er binnen de groep maar één alfavrouwtje is en alleen zij jongen krijgt. Ook dit is perfect gelopen en zij bracht haar drie jongen ook goed groot. Het blijft gewoon een prachtig gezicht als deze zeer actieve dagdiertjes met hun jongen bezig zijn.

Janke en Michel


Blacksmith kievit (Vanellus armatus)

De Blacksmith kievit wordt ook wel smidsplevier of smidskievit genoemd en komt oorspronkelijk voor in zuidelijk Afrika. Grofweg kun je een lijn trekken van Angola naar Tanzania en alles wat daar onder ligt is het natuurlijke leefgebied van de Blacksmith kievit.
Ze leven altijd in de buurt van water van bijvoorbeeld poelen en kleine meertjes.
Van nature uit voeden ze zich met dierlijk voedsel als schaaldieren en insecten die ze in en om het water vinden. Hun naam danken ze aan hun hoge schrille roep die lijkt op het slaan van een (smids-) hamer op metaal.


In 2016 kwamen we in het bezit een 3 jonge Blacksmith kieviten uit het zelfde legsel.
Bij ons zitten ze in een volière van 3.30 bij 4.00 meter, met een gedeelte zandbodem en een gedeelte dennenschors. Ze krijgen floating van Kasper faunafood aangeboden in droge vorm. Ook staat er altijd een bakje met universeelvoer ter beschikking. Een paar keer per week krijgen ze enkele meelwormen. Omdat man en pop uiterlijk gelijk zijn, hebben we het geslacht laten bepalen middels een DNA onderzoek van de veren. Het bleken twee mannen en een pop te zijn. We konden ergens anders een losse man overnemen zodat we in ieder geval een onverwant koppel konden vormen. Dit koppel werd in een andere volière gezet, omdat ze vrij territoriaal zijn, ook naar andere bewoners van de volière. Dit uit zich vooral in het broedseizoen, dan wordt namelijk alles wat ook maar enigszins in de buurt van het nest komt meteen verjaagd. Ze werden samen geplaatst met een koppel witwangtoeraco’s en een trio purperglansspreeuwen en dat ging bij ons prima.

Pas na twee jaar hadden we vier eieren. Omdat we veel te blij waren dat we eieren hadden en we ze niet teveel wilden storen, hebben we de eieren niet geschouwd en kwamen we er pas na het uitzitten van de volledige broedtijd van 25 dagen, achter dat de eieren onbevrucht waren. Dat jaar werd er niet opnieuw gebroed.
Het jaar daarop hadden we meer geluk, er waren weer vier eieren en deze waren wél bevrucht. Normaliter worden de eieren ongeveer elke dag of om de dag gelegd, maar bij dit legsel zaten er 7 dagen tussen het tweede en het derde ei. Omdat er inmiddels wel al gebroed werd voorzagen we problemen als dit legsel ging uitkomen. De ouders broeden overigens om en om.
We gingen ons dus al een beetje inlezen in een (gedeeltelijke) handopfok. We zouden dan de twee later gelegde eieren (na het uitkomen van de eerste twee jongen) wegnemen en in de broedmachine verder uitbroeden.
Zo kwamen we een kweekverslag van Jurre Brenders tegen die een bijzondere ervaring had met het terugplaatsen van een handopfokjong van een week oud, bij het koppel met jongen van een dag oud. Dit ging wonder boven wonder goed.
Toen bij ons de eerste twee jongen uit waren gekomen hebben we de twee andere eieren in de broedmachine gelegd. Maar toen hadden een domper. Het territoriale gedrag van de man werd zo hevig dat hij de pop ook niet in de buurt van de jongen duldde en haar zelfs zo verwonde dat ze dit niet overleefde. Maar hij nam de zorg van zijn kroost serieus en bleef in zijn eentje goed voor de jongen zorgen. De twee jongen groeiden als kool.
Als er jongen zijn, voeren we naast universeelvoer ook eivoer, Lundi micro, opfokkruim, gedroogde vlokkenkreeftjes, diepvries pinky’s en buffalo’s en laten we de meelwormen de eerste twee weken uit het menu.

Na 7 dagen kwam er een jong in de broedmachine uit. Wij laten de kuikens altijd een dag in de broedmachine zitten alvorens we ze er uithalen. Geïnspireerd door het verslag van Jurre Brenders leek het ons de moeite waard om te kijken of we dit jong bij zijn nestgenoten konden plaatsen. Wat toen volgde was een bijzondere ervaring. We zetten het jong in het midden van de volière. De man stapte van de andere twee jongen af en ging direct naar het kleine kuiken. Hij ging over het jong heen staan, zakte door zijn poten en werkte met zijn snavel het jong nog meer onder zich. Zo bleef hij een half minuutje zitten en liep vervolgens terug naar de andere twee jongen. Toen hij zag dat het kleinste jong niet volgde herhaalde zich dit ritueel. Bij de tweede keer volgde het kleine jong wél direct de man en kropen de drie jongen onder de vleugels van de man alsof het nooit anders geweest was. Toen twee dagen later het laatste jong in de broedmachine uitkwam hebben we natuurlijk ook dit jong teruggeplaatst. Ook met succes. Natuurlijk zat er een fors grootte verschil tussen de eerste twee en de laatste twee jongen en helaas viel na een week toch één van de twee kleinste jongen af. Maar de drie overige jongen zijn voorspoedig opgegroeid.

De jongen worden na ongeveer een dag of zeven geringd met ringen van 5,5 mm. doorsnede. Na DNA onderzoek bleken het drie mannen te zijn en deze zijn inmiddels naar nieuwe eigenaren verhuisd.
We konden een nieuwe vrouw bemachtigen en gingen het dit jaar toch weer proberen met deze bewezen man. Wel hadden we bedacht dat we bij het minste of geringste zouden ingrijpen mocht het weer mis gaan.
Dit was gelukkig allemaal niet nodig. In zes dagen tijd werden er vijf eieren gelegd, na het tweede ei begonnen ze met broeden. Na 25 dagen kwam het eerste kuiken uit. Eén van de ouders ontfermde zich over dit jong en de ander bleef keurig doorbroeden. De volgende dag kwamen er twee jongen uit, maar toen werd er eigenlijk niet meer gebroed, dus hebben we de overige twee eieren in de broedmachine gelegd om daarna de introductietruc, die ons vorig jaar goed bevallen was toe te passen. Na een paar dagen liepen er vijf jongen door de volière. Wederom bleef één van de jongen erg achter en deze is na twee dagen afgevallen.
Beide ouders zorgen goed voor de overige jongen en blijkbaar had de man geleerd van vorig jaar, want de vrouw werd keurig met rust gelaten. Omdat we dit legsel heel vroeg was hopen we natuurlijk op een tweede leg.

Janke en Michel.